Begrippenlijst

A

Laadspanning 12V accu is 13,8V en 24V is 27,6V. neemt de temp af dan neemt de laadspanning toe. Accu gaat 4/5 jr mee, Benodigde Accucapaciteit? is rustroom (Ir) x uur + Alarmstroom (Ia) x uur, uitkomst x Correctiefactor ouderdom 1,25. 

Voedingcapaciteit groot genoeg?  is capaciteit voeding – ruststroom (Ir) uitkomst x 24 uur x 80% (0,8) gedeeld door 1,1 vanwege laadverlies.

Adresseerbare melders hebben een Seperate melding per melding, In bepaalde gevallen separate status indicatie per melder.In bepaalde gevallen mogelijkheid voor separate sturing. Eenvoudige locatie aanduiding in geval van lijn storing. Het is in de NEN2535 geen eis om melders te adresseren. In geval van analoge melders is dit wel een ‘must’ omdat de door gegeven meetwaarden per melder essentieel zijn voor het werkingsprincipe.

Bediening die de akoestische signalering uitschakelt, waarbij de akoestische signalering bij iedere nieuwe melding opnieuw in werking moet treden

Geografisch gedeelte van het gebouw, waarin een akoestische en/of optisch ontruimingssignaal gegeven wordt.

Een ingangssignaal wordt omgezet in een stijgend of dalend uitgangssignaal. De hoogte van het ingang signaal bepaalt de snelheid waarmee het uitgangssignaal zal stijgen of dalen.

Geheel van organisatorische en technische maatregelen om bij brand persoonlijke en materiele schade te voorkomen

Een melder komt in alarm, BMI onthoudt het alarm, meldt nog niets en herstelt het automatisch, komt melding binnen bep. Tijd weer, dan geeft de BMI alarm

 optische indicatie die informatie kan geven door het weergeven van meldingen bestaande uit alfanumerieke teken. Naast de eisen gesteld aan het brandweerpaneel moet hij voldoen aan indeling NEN2535 figuur 2, blz 29 Alfanumeriek beeldvenster moet voldoen aan NEN-EN 54-2, geen permanent lopende tekst hebben, bediening voor scrollen moet duidelijk herkenbaar en op niveau 1 zijn.

Hierdoor is het mogelijk om door de BMC diverse omgevingsinvloeden van de betreffende ruimten in de melders te ‘laden’. Zo zal de BMC een goede vergelijking kunnen maken tussen de geregistreerde waarden en de afwijkende situatie. Nadat een analysering heeft plaatsgevonden, zal een beslissing worden genomen of hier sprake is van een echte brand of een ongewenste situatie.

Analoge melder heeft geen ja/nee functie maar verricht een continu meting, hij staat dus in constante dialoog met de BMC welke uiteindelijk beslist of hier sprake is van een brandsituatie. Zo kan ook worden aangegeven of melders aan omgevingsinvloeden bloot staan (vervuiling, vochtigheid, elektrische velden, etc.). Zo worden ongewenste/ onechte brandmeldingen zoveel mogelijk voorkomen.

Rookmelder, waarmee lucht en aerosolen door een leidingnetwerk met aanzuigopeningen wordt aangezogen (ventilator of pomp) en getransporteerd naar één of meer rookgevoelige elementen Opmerking 1 bij de term: Elk rookgevoelig element mag meer dan één sensor bevatten die aan hetzelfde rookmonster wordt blootgesteld. Enkele voordelen, voor een ruimte zijn veel minder melders nodig, melder kan buiten de te beveiligen ruimte blijven; hoge gevoeligheid Nadelen: Hogere kans op ongewenste / onechte meldingen door de hoge gevoeligheid, grotere nauwkeurigheid bij montage nodig, Kans op verontreiniging buizenstelsel en aanzuigopeningen, eisen aan de organisatie rondom het systeem zijn hoger, onderhoudsintensief.

Richtlijn 94/9/EG: ook bekend als ATEX 114 beschrijft voorschriften voor aparraten en systemen voor gebruik in explosieve omgevingen.

Installatie die in geval van brandmelding automatisch wordt geactiveerd en dient voor de verhoging van de brandveiligheid

Onderdeel van een automatisch brandmeldinstallatie dat één of meer sensoren bevat die permanent of periodiek ten minste één fysisch en/of chemisch verschijnsel detecteert, dat duidt op brand en die ten minste één overeenkomstig signaal doorgeeft aan de brandmeldcentrale (B)

Installatie die qua functionaliteit, apparatuur en programmatuur, voeding en transmissiewegen volledig onafhankelijk functioneert van alle andere gebouwtechnische installaties

B

Een gesmoorde brand, door een tekort aan zuurstof, welke genoeg temperatuur heeft ontwikkeld om te blijven pyrolyseren. Dit wil zeggen dat de ruimte zich blijft vullen met brandbare gassen. (Als hier niets aan wordt gedaan, kan deze actie zichzelf geruime tijd verderzetten.) Doordat de ruimte zich blijft vullen met pyrolysegassen, zit het mengsel dus boven de UEL (Upper explosion level). Het enige dat hier ontbreekt, is zuurstof. Wanneer men dus een deur zou openen, gaat de gesmoorde brand zuurstof aanzuigen en zakt het mengsel tot in de explosieve zone met als gevolg dat al de aanwezige pyrolysegassen, bij heropflakkering van de vuurhaard, zich explosief ontsteken. Let op, de heropflakkering van de vuurhaard is essentieel, anders zal er geen backdraft plaatsvinden. Een backdraft krijgen zonder heropflakkering van de vuurhaard is slechts mogelijk in één geval, namelijk een ‘hot backdraft’

iemand die beschikt over de noodzakelijk vakbekwaamheid voor het beheren van de BMI en die is geïnstrueerd omtrent de hem/haar oevertrouwde taken en mogelijk gevaren die zijn verbonden aan onjuist handelen. Taken beheerder; dagelijkse bediening, het beheer vd BMI, periodieke controle, preventief onderhoud, voorkomen van onechte- en ongewenste meldingen, instructie geven aan derden, samenwerking met onderhouder. Onderhouder van info voorzien van bouwkundige wijzigingen, wijziging in gebruik van ruimte, wijziging in alarmorganisatie. Dagelijkse bediening beheerder, afstellen van akoestisch signaal, vaststellen van de aard en locatie van melding, het terugstellen van brand- storing- en overige meldingen, in- uitschakelen van melders, registreren in logboek.

Aders dienen een diameter van min. 0,8mm te hebben en zijn ondergebracht in een eigen buisleidingnet of in een ladderbaan of in het zwakstroomcompartiment van een kabelgootsysteem (of min. 1,5mm doorsnee). Zo min mogelijk lassen. Bekabeling boven het plafond of onder een vloer mag in buis met open stukken van 50x50mm worden aangelegd. Zie transmissieweg.

Automatische apparatuur die wordt gebruikt om automatische brandbeveiligingsinstallaties te initiëren, nadat een signaal van de brandmeldcentrale is ontvangen Opmerking 1 bij de term: Deze kan zich zowel in als buiten de brandmeldcentrale bevinden.

Overheidsorgaan of diens gemachtigde dat of die de toepassing van de brandmeldinstallatie heeft geëist en/of moet goedkeuren

Gebouwen, het gebouw of het deel van een gebouw dat door de brandmeldinstallatie wordt bewaakt 

 

 

Een stuurfunctie die wordt bewaakt op goed functioneren door gebruik te maken van een eindweerstand over de bewaakte stuuruitgang.

Transmissieweg die zodanig op goed functioneren wordt bewaakt dat een storing binnen de tijd als aangegeven in de desbetreffende delen van NEN‐EN 54 wordt gesignaleerd op de brandmeldcentrale

In welke mate een gebouw beveiligd dient te worden wordt bepaald door de kenmerken van het gebouw in relatie tot bijlage 1 van het Bouwbesluit. Mogelijk hebben andere partijen (verzekeraar of eigenaar/gebruiker) aanvullende eisen. Vanuit de wet Milieubeheer kunnen aanvullende eisen worden gesteld. De omvang van de brandmeldinstallatie zal, op basis van bijlage 1 van het Bouwbesluit, afhankelijk zijn van: het doel van de bewaking (personen of goederen), de bestemming en hoogte van het gebouw, de aanwezigheid en de validiteit van de personen, het brandrisico. Het is mogelijk delen vh gebouw van verschillende bewakingsvormen te voorzien, mits er een brandwerende scheiding van min. 60 minuten tussen de delen aanwezig is.

Afkorting voor Bouwkundige maatregelen, Installatietechnische maatregelen, Organisatorische maatregelen, Gebruiksaspecten.

2012 zegt iets over het geheel, aan te treffen maatregelen, met betrekking tot de brandveiligheid. Kijk bij biog voor meer uitleg.

Brand- en subbrandcompartimenten, WBDBO maatregelen, Vluchtwegen, zelfsluitende deuren, max. loopafstanden, eisen aan de materialen mb brandvoortplanting en rookproductie, juiste draagconstructie, bluswatervoorziening. Bouwkundige maatregelen hebben weinig onderhoud nodig in tegenstelling tot technische en ook heeft van bv personeel weinig bekendheid nodig.

Chemisch proces waarbij een brandbare stof zich verbindt met zuurstof, waarbij warmte vrij komt en dat gepaard gaat met vlamverschijnselen en rookontwikkeling. Een brand kan zich op 3 manieren voorkomen: Smeulend, Gloeiend, Vlammend

Apparatuur, niet geïntegreerd in de brandmeldcentrale, die wordt gebruikt om een brandalarm te geven Opmerking 1 bij de term: Onder brandalarmeringsapparatuur wordt mede verstaan ontruimingsalarmeringsapparatuur zoals beschreven in NEN 2575.

Organisatie (brandweer) die op ieder moment de nodige brandbestrijdings‐ en beveiligingsmaatregelen kan treffen of te beperken

Installatie tot doel een brand en/of zijn schade te beperken, zoals; ontruimingsinstallatie, toegangsdeur brandweer, deuren van compartimenten en nooduitgangen, drukverhogingspomp, brandweerlift, ventillatie/ luchtbehandelingsinstallatie, deurmagneten, overdrukinstallatie, RWA

Doel: in een vroegtijdig stadium de brand te kunnen bestrijden

Tussen compartimenten dient een bepaalde WBDBO te zijn (30,60,90 of 120 minuten), max. vloeroppervl. 500m2 voor woningen en logiegebouwen, 1000m2 voor kantoorgebouwen. Hierbij rekening houden met de vaste- en variabele vuurbelasting. 

Bedrijf dat verantwoordelijk is voor het ontwerp, de aanleg, de inbedrijfstelling en oplevering van de brandmeldinstallatie alsmede voor de compatibiliteit van de in de brandmeldinstallatie toegepaste componenten. De belangrijkste voorwaarde voor erkenning van een branddetectiebedrijf is het ter beschikking hebben van een projecteringsdeskundige en een onderhoudsdeskundige omdat anders niet kan worden voldaan aan de eisen van deskundigheid van de vestiging.

De brand breidt zich uit van de 1 naar de andere ruimte binnen het gebouw

Ontwikkelingsperiode, Brandperiode, doofperiode. Of…Smeulfase, temperatuurfase, Vlammenfase

de te verwachte brand en grootte 1. Polyurethaan brandmatten, 2. Beukenhouten blokjes, 5. PVC draad 7. Brandspiritus, 8. andere overeengekomen brandgroottes. Keuze afhankelijk van afmetingen (hoogte en oppervlakte) ruimte, aantal luchtwisselingen, brandrisico’s, obstakels in de ruime, omgevingsomstandigheden. Je dient primair te kiezen voor brandgrootte 1 en 2, brandgroottes en afwijkingen vastleggen in PvE.
Keuzes afhankelijk van; afmetingen ruimte, ventilatievoud, brandrisico’s, obstakels in de ruimte, omgevingsomstandigheden, gebruiksfunctie
Brandklassen om onderscheid te maken tussen verschillende sooren branden is e.e.a. internationaal vastgelegd in een genormeerde brandkassen-indeling. A-vaste stoffen, B- Vloeibare stoffen, C- Gassen, D- metalen, E- electra en F- Oliën en Vetten.

(zoals bijvoorbeeld de FireClass) onderdeel van de brandmeldinstallatie waarmee ontvangen signalen worden geanalyseerd en worden weergegeven als alarm‐, storings‐ of andere statusmelding, dat zorg draagt voor automatische besturingen en waarmee ook andere onderdelen van energie kunnen worden voorzien. Geprojecteerd zijn in een ruimte met laag brandrisico, droog en schoon is, kleine kans op beschadiging, vrij ruimte aan de voorzijde is voor draaiende delen, bewaakt is door AM (bij gedeeltelijk of volledige bewaking), bij 100 tot 500 lux de optische en teksten waarneembaar zijn, het achtergrondgeluid de zoemer niet overstemt. Brandmelding moet binnen 20 seconden op de hoofd BMC doorkomen en een storing 120 sec, in geval van netwerk. Uitgang naar brandalarmeringsapp, brandbeveiligingsinstall, doormeldapp. voor storingen, mogelijkheid voor periodieke meldercontrole. Montagehoogte tussen 0,7-1,8m

Installatie, die bestaat uit een samenstel van onderdelen en die in staat is om branden in een vroegtijdig stadium te detecteren, te signaleren en passende acties te initiëren om zo mens, dier, gebouw, inventaris en milieu te beschermen

voor het waarschuwen van de externe- danwel interne organisatie, bij een externe volgt een brandweerpaneel en bij de interne een nevenpaneel. Indactoren groen voor stroom, rood voor alarm en geel voor storing.

De brand breidt zich uit naar een andere ruimte in het gebouw via de buitenlucht, of naar andere gebouwen (vliegvuur)

Wordt bepaald door de mate van; het ontstaan van brand (ontstekingsbronnen), de uitbreiding van brand (vuurlast, compartimentering), uit de brand voortvloeiende schadelijke gevolgen (letsel, schade aan gebouw, omgeving, milieu).
Er zijn verschillende uitgangspunten om naar brandveiligheid te kijken; Algemeen: zoveel mogelijk vrij van gevaar door brand, Brandweer: voornamelijk ten aanzien van mensen, dieren en milieu, verzekeraar: voornamelijk ten aanzien van gebouwen en inventaris, gebruiker: voornamelijk ten aanzien van medewerkers, continuïteit. etc

Brandveiligheidsmaatregelen zijn afhankelijk van; de aard, omvang en gebruik van het gebouw, soort bewoners/gebruikers.

Beginbrandje, ontwikkelingsperiode, brandperiode, doofperiode

Het uitbreiden van brand in een ruimte

Ingang van een object, die uit tactisch en technisch oogpunt is aangewezen voor binnentreden van de brandbestrijdingsorganisatie

Paneel waarop de voor de brandbestrijdingsorganisatie noodzakelijke signalering en bediening aanwezig zijn. herkenbaar door tekst: BRANDMELDPANEEL letterhoogte min.10mm, iedere brand- en (verzamelde) storingsmelding & functie uitgeschakeld, dienen optisch en (als ook door interne organisatie wordt gebruikt) akoestisch te signaleren. De akoestische signalering dient afstelbaar te zijn op niveau 1 (bij nieuwe melding opnieuw werkend).
BMC mag als brandmeldpaneel dienen als hij voldoet aan bovenstaande eisen. Tekst moet in NL taal (ondubbelzinnig en onuitwisbaar naast de indicator, tekst duidelijk leesbaar op 0,8m afstand bij lichtsterkte van 100-500 lux. Brandmelding moet binnen 20 seconden op het paneel getoond, geluidsniveau akoestische signaalgever dient voor brandmeldindicatie 60db en voor storing 50dB te zijn. Betreffende de projectie; in nabijheid van brandweeringang (entreehal, receptie, portiersloge) bij een afgesloten receptie, deze ruimte toegankelijk maken voor brandweer en aan buitenzijde de tekst; Ruimte met BRANDWEERPANEEL” aanbrengen, met min. Letterhoogte van 5cm. Een tekening moet direct naast of boven het BWP hangen waarbij de onderkant op min. 0,7m vd vloer en de boven kant op max 2m vd vloer is aangebracht. Het BWP vd BMI en Sprinkler mogen gecombineerd of naast elkaar.
Transmissieweg tussen paneel en BMC dienen bij parallelle transmissie tenminse 1 aderpaar op onderbreking en kortsluiting bewaakt te worden, bij seriële transmissie moet de weg op goed functioneren worden bewaakt, de bekabeling als functiebehoud uitvoeren.

Britisch Standard

C

Vastleggen van eisen en werkwijze mbt Ontwerp(branddetectie), Installatie (brandmeldinst. Bedrijf), Onderhoud (onderhoudsbedrijf) alles uiteraard gecertificeerd.

Een brandmeldinstallatie kan worden gecertificeerd door de inspectiebureau’s als de kwaliteit en betrouwbaarheid van de installatie op een bepaald minimumniveau is en blijft. Om dit te bereiken voert het inspectiebureau de volgende stappen uit:
a. Er dient een programma van eisen te worden opgesteld dat door alle betrokkenen moet worden goedgekeurd.
b. Het ontwerp van het branddetectie bedrijf wordt goedgekeurd.
c. Er vindt een opleveringsinspectie plaats waarbij de gehele installatie wordt gekeurd.
Het certificaat is beperkt geldig(6 of 12 maanden) en wordt verlengd na een herinspectie.

Het van gas (waterdamp) overgaan naar vloeibaar (water), kan ontstaan door plotselinge daling vd temperatuur en/of plotselinge toename van de relatieve vochtigheid. Te nemen maatregelen hiertegen; waterdichte sokkels, isolatieplaat tussen melder en plafond aanbrengen, melderverwarming. Zie ook Relatieve luchtvochtigheid

Hoe waarschijnlijk het explosiegevaar is aangegeven in uren per jaar, Zone2< 10 uur, Zone1 10-1000 uur of Zone3 meer dan 1000 uur per jaar.

D

Afstellen van akoestisch signaal, vastellen van de aard en locatie van melding, het terugstellen van brand- storing- en overige meldingen, in- uitschakelen van melders, registreren in logboek

Geografisch deel van het gebouw waarvoor een afzonderlijke plaatsbepaling wordt gegeven. In overleg met bevoegde autoriteit worden vastgesteld en vastgelegd in PvE. Indicaties: cellenstructuur; 30 ruimten, max. 1000m2. Hallen; max 2.500, 5 aaneengesloten ruimten in een hal groter dan 1000m2 deze als aparte zone signaleren. Niet over meerdere bouwlagen of object >500m2, of bij bv trappenhuis, + de laagste gelegen toegangsmogelijkheid tot die ruimte zich bevindt. AM in de liftmachinekamer van de brandweer liften (en) moeten per liftmachinekamer afzonderlijk als detectiezone signaleren.

Installatie die deuren vasthoud middels kleefmagneten, altijd rookmelders toepassen die voldoen aan NEN-EN-54-7, max. hoogte conform tabel 7, aan beide zijden van de betreffende deur aan het plafond een rookmelder. Deze installatie sluit deuren zodat rook binnen de rookcompartimenten blijft, het zijn normale rookmelders in een circuit met een voeding en kleefmagneten. Zodra rook wordt gedetecteerd vallen de kleefmagneten af. Bij gedeeltelijke bewaking projecteren tussen 0,5 en 2,5 maar voor de eerstvolgende deur om zo te voorkomen dat de rook een andere ruimte kan vullen voordat hij de melder bereikt. Bij volledige bewaking niet nodig.

Melder die een alarm initieert, wanneer de mate van verandering van het gemeten verschijnsel gerelateerd aan de tijd gedurende een zekere tijd een bepaalde waarde overschrijdt

Duitse Industrie Norm

Opgave type toegepaste app. Blokschema. Aanzicht BMC, brandweerpaneel, nevenpaneel, bedienpaneel. Schema’s klemmenkasten, installatieplattegronden, bedieningsvoorschrift, logboek blz 176 sylabus

Storingsmeldingen kunnen bij een PAC of 24h bezet station worden doorgemeld/binnen gebracht, alarmmeldingen bij een PAC of indien de installatie is gecertificeerd bij een BAC of RAC. De signalen kunnen worden overgebracht door middel van directe lijnverbindingen (DM1), Kiesverbindingen (DM2) en draadloos.

Apparatuur (E) die, nadat een signaal van een brandmeldcentrale (B) is ontvangen, een alarmmelding doorgeeft naar een ontvangststation voor brandmeldingen (F) Opmerking 1 bij de term: In de praktijk wordt hier ook wel gesproken over een alarmoverdrager, doormeldeenheid, hoofdmelder, automatische telefoonkiezer enz. Niet bedoeld wordt het relais of een andere interface in de brandmeldcentrale (B).

apparatuur (J) die, nadat een signaal van een brandmeldcentrale (B) is ontvangen, een storingsmelding doorgeeft naar een ontvangststation voor storingen (K) Opmerking 1 bij de term: In de praktijk wordt hier ook wel gesproken over een doormeldeenheid, hoofdmelder, automatische telefoonkiezer enz. Niet bedoeld wordt het relais of een andere interface in de brandmeldcentrale (B). 

 

Transmissieweg die gebruikmaakt van draadloze verbindingen

E

Brandmelding als gevolg van een brand of een voorval dat tot brand kan leiden

Partij die de uitgangspunten voor het programma van eisen (mede) vaststelt
Opmerking 1 bij de term: Dit kunnen zijn het bevoegd gezag, de verzekeraar of eigenaar/gebruiker.

Onderdeel verbonden met een melderlus dat informatie met betrekking tot de brandmeldinstallatie kan verzenden of ontvangen

Onderdeel (L) van de brandmeldinstallatie dat zorg draagt voor de voeding van de brandmeldcentrale (B) en/of direct of indirect van andere onderdelen zoals bijvoorbeeld A, D, C, M, G, E en J. Een BMI heeft 2 energiebronnen, primair (230) secundair (accu), De schakelaar voor de Primaire energievoorziening moet worden voorzien van de tekst “NIET UITSCHAKELEN BRANDMELDINSTALLTIE”, de secundaire moet de hele installatie 72 uur kunnen voeden incl. o,5 uur in alarmtoestand (of korter indien doorgemeld naar 24uurs bezette post en onderhoudscontract conform de NEN 2654-1) houd rekening met verouderingsfactor accu van 1,25. De accu moet binnen 24u voor 80% geladen zijn, rekening houdend met 1,1 factor laadverlies. De NEN 2535 verwijst hieromtrent naar de NEN-EN 54-4, zie blz 139 sylabus en blz. 65 NEN 2535 art. 10.9.2.

I = apparatuur voor mijnbouw, II = apparatuur Industrie anders dan Mijnbouw 1 Zeer hoge beveilgingsgraad 2 Hoge beveiligingsgraad 3. Normale beveiligingsgraad. G= Gas/damp/mist D=stof, EEx d is drukvast (Categorie 2/zone 1) Eeib is intrinsiek veilig (Categorie 2, Zone 1), Eex ia is intrinsiek veilig, dubbele zekerheid (Categorie 1 Zone 0)zie ook ATEX, Gasgroep, Conformiteitscategorie, Temperatuur klassen en Explosiegrenzen

Onderste grens = LEL Laagste Eplosie Level, Bovenste = Hoogste Explosie Level, bij de laagste is er te weinig gas voor de explosie bij de hoogste is het te rijk aan gas, oftewel er is te weinig zuurstof.

Signaal of contact van een separate brandbeveiligingsinstallatie waarvan de activering het resultaat is van een brand(verschijnsel)

F

Als de stroom wegvalt valt het circuit af in de veilige toestand, bv de kleefmagneten NPR 2576

Voor hoge temperaturen tot 385 graden Celcius maakt gebruik van uitzetting van legeringen bij hoge temp

Een opeenstapeling van hete rookgassen (pyrolysegassen), in deze rooklaag blijft de temperatuur stelselmatig oplopen tot deze rooklaag zijn zelfontbrandingstemperatuur bereikt en ontsteekt. Deze zelfontbrandingstemperatuur schommelt tussen de 250 °C en 350 °C. Deze temperatuur kan variëren afhankelijk van welke materialen er branden (brandcalorische waarden, type materiaal, …). Wanneer de flashover is opgetreden, staat de hele ruimte in brand, temperaturen lopen snel op tot 600 °C

Transmissiewegen moeten bij brand min. 30 minuten hun functie blijven behouden tussen: BMC en brandalarmeringsappartuur (signaalgevers) BMC en iedere seperate voeding, aparte delen van BMC, HoofdBMC en sub BMC’s, BMC en brandweer-/nevenpaneel, BMC en doormeldapp. (E), tussen E en het IS/RA-punt en tussen G en H. Functiebehoud geld niiet voor; melderlussen waarin alleen melders zijn ondergebracht, buiten het bewaakte gebied bij goede en voldoende WBDBO, als de onderdelen binnen 10m in dezelfde ruimte zijn ondergebracht. Functiebehoud wordt alleen dan behouden als de kabel en de bevestigingsmaterialen alsook de ondergrond 30 minuten hun functiebehouden.
Montagesystemen met (mogelijk)functiebehoud: kabelladders, kabelgoot, draadgoot, kabelkanaal, beugels, buizen, lasdozen
Ondergrond met functiebehoud: Beton, Metselwerk, staal, en hout (mits door en door bevestiging met metalen borgplaat met doorsnede min. 4 cm)
Bouwkundig, kabel in grond, in horizontale en/of verticale constructies, brandwerende schacht/kruipruimte, in brandveilig tracé,
Technische oplossingen, fail-safe circuit, houdfunctie, Sprinklerinstallatie, Ringleiding
Sprinkler mits: aanspreektemp 93-100 graden Celcius, gecertificeerd, volledig onder sprinklergebied, automatische sprinkler, verbindingen IP44 of hoger.

Een beproeving om te controleren of (een onderdeel van) de BMI nog functioneert

G

De gasgroepindeling is gemaakt om enerzijds onderscheid te maken in gevaarlijke- en minder gevaarlijke ‘gassen’ en anderzijds de constructie die het apparaat heeft om te mogen worden toegepast in deze ‘gevaarlijke’ omgeving. Geeft het level ontstekingsenergie aan, IIA hoog max 300 uJ (Propaan/Benzine/Ammoniak/Ethaan), IIB lagere ontstekingsenergie max 160uJ (Ethyleen/Butadine), IIC laagste max 40uJ (Waterstof/Acetyleen)

Haakje of wigje bij een branddeur, spullen in de vluchtroute, slingers in de kantine, juiste gebruik van producten

Bewakingsomvang waarbij in de verkeersruimten (of imaginaire gangpaden bij het ontbreken ervan) en ruimten met een verhoogd brandrisico AM wordt toegepast. Uitgangspunt: brand wordt ontdekt als de rook de verkeersruimte of een aangrenzende beveiligde ruimte heeft bereikt. Verhoogde risicoruimten; recreatieruimten, kantines, dagverblijven, showrooms, technische ruimten, ruimte met hoofdschakel- & verdeelinrichting, opslag- archiefruimte, werkplaatsen, hobbyruimten, keukens, stallingruimten, liftschachten met apparatuur, ruimte BMI en/of de voeding.

Paneel waarop de voor de brandbestrijdingsorganisatie noodzakelijke signalering en bediening aanwezig zijn en worden weergegeven met behulp van één of meer situatietekeningen. Het moet geplaatst worden zodat de ligging van het gebouw correspondeert met de horizontale projectie van het paneel tov de waarnemer. Indien door de vormgeving van het object niet mogelijk is de detectiezones met tekst aan te duiden of bij extra eis van de brandweer, moet deze worden toegepast. Minimaal weergeven, contouren van de bouwdelen, detectiezones, brandweeringang, waar men zich bevindt, neveningangen, trappenhuizen , eventuele brandweerlift(en). De tekeningen moeten vast en met de achtergrond zijn verbonden. Zie blz 124 sylabus, NEN 2535 blz 34 art. 6.5.3. zie symbolen tabel 6

Een groentje heet officieel een kritiek exemplaar. Dit is het (op groen papier gedrukte) exemplaar van een norm voor de definitieve versie, waarop iedereen kritiek kan leveren, die dan al of niet in de uiteindelijke norm verwerkt wordt. Een groentje wordt net als alle andere normen door het NNI uitgegeven.

H

Voordelen; vrij van: corrosieve gassen, van gevolgschade door zoutzuur, van dioxine en blauwzuurgas. Vlamdovend en geringe vlamvoortplanting, min. Rookontwikkeling, redding van mensenlevens, drastische vermindering van brandgevolgschade.

Apparaat (D) waarmee met de hand een brandalarm kan worden gemeld, Type A (in NL toegestaan) in 1 handeling alarm, Type B (niet toegestaan in NL) in 2 handelingen alarm. In bijzondere situaties is het toegestaan matregelen te nemen om ongewenst activeren van HBM te voorkomen, e.e.a. moet met redenen omkleed in PVE vastgelegd worden. Projectie HBM in verkeersroute, in het directe zicht, binnen 2 meter van slanghaspels, montagehoogte: 0,9- 1,5m van de vloer, geen slanghaspels? HBM binnen 2 meter van (nood)uitgangen en/of blustoestellen en wel zo dat ze binnen 30 meter bereikbaar zijn. Verder op plaats waar mondelinge/telefonische brandmeldingen worden ontvangen en verwerkt (binnen 5m in dezelfde ruimte) NEN 2535 art 10.11.1

Ander woord voor netvervuiling

De bovenste explosiegrens waarbij een explosie kan plaats vinden. Bij concentraties hoger dan de HEL is er te weinig zuurstof aanwezig om een zelfstandige vlamvoortplanting te laten plaats vinden.

Bedieningshandeling die de brand‐ en/of storingsconditie opheft

Netwerk waarin een hoofdbrandmeldcentrale is opgenomen

Brandmeldcentrale waarop alle (verzamelde) brand‐ en storingsmeldingen en uitgeschakelde delen worden gesignaleerd

Indien de sturing binnen 1 minuut na de brandmelding wordt geactiveerd en de aangestuurde installatie over een houdfunctie beschikt, behoeft niet aan de functiebehoud voorwaarde voldaan te worden. De schakeling zorgt ervoor dat de functie behouden blijft. Kortom, de sturing voert een functie uit en als daarna de stroom wegvalt blijft de functie zoals hij was (behouden)

I

Indicator component 

Melder die reageert op straling met een golflengte van meer dan 850 nm

Vaststellen, door een inspectie-instelling type A, of een brandbeveiligingssysteem in een bouwwerk overeenstemt met algemene eisen (afgeleide doelstellingen) op basis van professioneel oordeel.

Waarin wordt verklaard dat de brandmeldinstallatie in bedrijf is conform het programma van Eisen
(PvE) en aan gestelde eisen van kwaliteit en compatibiliteit voldoet.

BMI, sprinkler, Ontruimingsinstallatie, Overdrukinst., Noodverliching, Brandslanghaspels.

Een stroomkring waarin geen enkele vonk of thermisch effect kan worden opgewekt onder de beproevingsomstandigheden die instaat is de ontsteking van bepaalde explosiegevaarlijke mengsels te veroorzaken. Toepassingen: Zener barrières, galvanische scheidingen, batterijen, electro apparaten, meetomvormers, passieve componenten, bijna alle apparatuur met beperkt vermogen.

Een ionisatierookmelder is gevoelig voor verbrandingsproducten die de ionisatiestroom in de melder kunnen beïnvloeden, roetdeeltjes vertragen de ionenstroom. Referentiekamer wordt gebruikt vandaar tweekamerprincipe. Mag nog mits; Americium241 (max 37 kBecquerel = 1 uCurie), Radium 226 (max. 3,7 kBq (0,1 microCurie) en Alpha straling max 0,1 mRöntgen. Ionisatiemelders vervangen voor rookmelders? 1- vergunning wijzigen 2- melders laten plukken door radioloog 3- Afvoeren naar COVRA Centrale
Organisatie Voor Radioactief Afval
Ionisatiemelders zijn vergunningsplichtig, voorwaarden: verwijdering en onderhoud door leverancier, doormelding 24u bezette post, installatietekening, registerblad met alle melders, melding van vermissing of ongeval aan diverse instanties. Geen vergunning verplicht als aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan en max 50 melders op voorraad, demonstreren, doorgeven aan anderen. Afvoer naar Centrale Organisatie Voor Radio Actief afval – COVRA, zij doen transport van leverancier naar verwerkingsinstallatie, verwerking van radioactieve melders, opslag van verwerkt afval, bewaking van opslag, beheer van administratie, bewaken vh vervalproces, zorgen dat bestralingsniveau binnen de eisen vergunningsverlener blijft, blijvend isoleren afval, verslaglegging aan overheidsinstanties. 

 

De IP-aanduiding heeft twee cijfers: het eerste geeft de beschermingsgraad tegen aanraken en indringen van voorwerpen, het tweede de beschermingsgraad tegen vocht. IP = International Protecting Rating

Maakt onderscheid tussen een roodgloeiend oppervlak en vlammen met behulp van filters. Deze onderscheiden de flakkerfrequentie (3-25 Hz) en het aantal infraroodpulsen van de vlammen (bijvoorbeeld 64 in 35 sec.

Eerste koppel‐ of aansluitpunt achter het invoerpunt van de telefoonkabel in een gebouw 

 

Element in de transmissieweg die de gevolgen van een kortsluiting in een transmissieweg beperkt tot dat deel van de transmissieweg dat zich tussen de isolatoren bevindt

K

Melder die geschikt is om lucht in een kanaal op brandverschijnselen te controleren

Deuren in rook-brandscheiding, worden over he algemeen open gehouden me behulp van kleefmagneten. De deur kleeft aan de magneet, bij het uitschakelen van de spanning verliest de magneet automatisch zijn functie en vallen de zelfsluitende deuren automatisch dicht en sluit het compartiment. Blz 169

L

Projectering volgens voorschriften fabrikant, ook de lichtstraal doch tenminste 30cm vrij zicht m.b.t. obstakels, de componenten moeten op een stabiele ondergrond gemonteerd, de projectering volgens figuur 30, kijk ook figuur 29 NEN 2535 blz 83 Bij grotere hoogte kan een tweede lijn nodig zijn
Bij Balkenplafonds: is de vrije afstand tussen obstakels en het plafond < 3% vd hoogte vd ruimte met een minimum van 25cm dan moeten de obstakels als balk worden gezien. Is de hoogte vd balk < 20% vd hoogte van de ruimte dan mogen ze onder de balk door geprojecteerd worden. Min. afstand tussen straal en balk is 30cm. Balkhoogte > dan 20% vd hoogte vd ruime dan melders in het vak.

In kabels is in principe niet toegestaan, na schriftelijke toestemming bevoegde autoriteit akkoord mits; geschikte klemmenkast, alleen bekabeling BMI in klemmenkast, klemmenkast vast zijn opgesteld en toegankelijk, aansluitklemmen vast aan de behuizing, klemverbindingen voldoen aan NEN-EN-IEC 60999-01, kabels moeten gecodeerd zijn, er moet een aansluitschema zijn aangebracht in de kast, en de buitenzijde moet zijn gemerkt met BRANDMELDINSTALLATIE, klemmenkasten aangeven op installatietekeningen. 

 

De onderste explosiegrens waarbij een explosie kan plaats vinden. Bij concentraties lager dan LEL is er te weinig brandstof aanwezig om een zelfstandige vlamvoortplanting te laten plaatsvinden

AM in de liftmachinekamer van de brandweer liften (en) moeten per liftmachinekamer afzonderlijk als detectiezone signaleren. Indien een brand daar wordt gemeld moet gebruik voorkomen worden, indien de laagspanningsverdeelruitme waaruit de brandweerlift wordt gevoed op de 2e of hoger gelegen verdieping, moet de brandmelder in deze als een aparte detectiezone detecteren.

Melder, bestaande uit ten minste een zender en een ontvanger en eventueel een reflector, die rook detecteert door de vermindering van intensiteit of wisselende intensiteit van een optische straal. Toegepast vooral in ruimten: Hoge ruimten, sterke luchtstromingen, onderhoudstechnisch, Estetisch, vervuiling, grote/lange ruimtes.

Mag geen andere installaties bevatten dan de liftinstal. de detectie van deze schacht kan bestaan uit een aspiratiesysteem, waarbij de melder buiten de schacht is aangebracht.

Melder die reageert op een temperatuursverhoging in de nabijheid van een continue verbinding. Toepassen vanwege, onbereikbare plaatsen bv hoogte (Atrium), grote afstanden/ruimten, esthetische waarde (musea)

M

Verzameling van één of meer melders en/of elementen die door de brandmeldcentrale als een eenheid wordt herkend en die op de brandmeldcentrale als eenheid kan worden in‐ en uitgeschakeld

Afhankelijk van gebruik, hoogte, obstakels vd ruimte, omgevingsinvloeden, ventilatievoud, Estetische keuzes, kostentechnische-, onderhoudstechnische overwegingen.

Transmissieweg die brandmelders en andere elementen verbindt met de brandmeldcentrale, bij sluiting max 32 melders uitvallen, niet meer dan 10 detectiezones omvatten en ma 10.000m2

Melder met meer dan één sensor die gevoelig is voor één of meer verschijnselen van brand, Gekeurd volgens NEN-EN-54-7? Dan moet hij als rookmelder worden geprojecteerd.

N

Nederlandse Norm. Een NEN norm is een samenvatting waarin beschreven staat welke afspraken er zijn, of aan welke specificaties of criteria een product, dienst of methode moet voldoen. Het is iets anders dan een wet, wat er in de wet staat moet. Een norm is meer een beschrijving van wat de wet dan van je verwacht en hoe je hieraan kan voldoen. Een norm ontstaat omdat bepaalde betrokken partijen vinden dat er een norm moet komen. Alle partijen moeten invloed kunnen hebben op de inhoud van de norm. Invloed kan op twee manieren worden uitgeoefend: a. Via een persoon die in de normcommissie zitting heeft b. Door kritiek te uiten op een groentje

Nederlands Europese Norm

Worden besproken de Systeemeisen (volledige- gedeeltelijke…. Bewaking), Kwaliteits-eisen (BWP, EN-54 etc), Projecteringsrichtlijnen (afstand wand, bewakingsoppervl., indicatoren, zones, groepen etc.)

Samenstel van tot de brandmeldinstallatie behorende componenten, verbonden met elkaar via één of meer transmissiewegen en in staat informatie uit te wisselen Opmerking 1 bij de term: Van het netwerk kunnen ook andere centrales deel uitmaken, zoals een ontruimingsalarmcentrale en een sprinklermeldpaneel.

Separate optische indicator die als gevolg van een geactiveerde brandmelder in werking wordt gesteld. Toegepast om bij een brandmelding de juiste AM in een detectiezone te lokaliseren. Hij moet rood zijn op een wit vlak en de gehele nevenindicator moet minstens 2000 mm2 bedragen en mag niet gecombineerd worden met andere optische indicatoren. Het verschil tussen rust- en alarmstatus moet duidelijk zijn. Hij dient op te lichten totdat het alarm op de BMC is teruggesteld. NEN 2535 blz 39 art 6.8 Projectering, vanuit de looprouten en bij het binnentreden van de ruimte moeten indicatoren van de melders direct waarneembaar zijn. Niet? Nevenindicatoren plaatsen, zo aanbrengen dat de bijbehorende melder vanuit de looproute te vinden is, niet duidelijk voor welke ruimte hij is? Tekst plaatsen. Is het trappenhuis onderdeel van de laagst gelegen detectiezone? bij toegang een nevenindicator plaatsen zie blz 115 sylabus NEN 2535 blz 65 art 10.10 Geen nevenindicator bij ruimtebewaking in relatie tot ontvluchten (behalve bij doormelding RAC). Bij woningen of logiesgebouw mogen alle melders per verblijf melden op de nevenindicator boven de toegangsdeur (mits >100m2 en minder dan 5 ruimten) NEN 2535 blz. 66 art 10.10a Onderhoud: visuele controle (met name de teksten).
functioneel testen, reinigen en zo nodig hersteld.

Ingang van het object, niet zijnde de brandweeringang, die door de brandbestrijdingsorganisatie kan worden gebruikt voor het betreden van andere delen van het object

Paneel waarop de voor de interne organisatie noodzakelijke signalering en bedieningselementen aanwezig zijn, minimaal algemene signalering brandmelding, storingsmelding en uitgeschakelde functies. Tekst BRANDMELDPANEEL worden aangegeven, min. 10mm letterhoogte. Signalering moet zichtbaar blijven tot de oorzaak is opgeheven.I.v.m. uniformiteit verdient het de voorkeur het nevenpaneel als brandweerpaneel uit te voeren. Zo projecten zodat de interne alarmorganisatie direct toegang heef tot de informatie. Blz. 124 sylabus NEN2535 blz 38 art. 6.7

Een BMI die qua detectie bestaat uit handbrandmelders.

Een beproeving om te kijken of het desbetreffende onderdeel nog binnen de fabrieksspecificaties werkt. 

 

De staat van oplevering of nieuw staat

Een NEN norm is een samenvatting waarin beschreven staat welke afspraken er zijn, of aan welke specificaties of criteria een product, dienst of methode moet voldoen. Het is iets anders dan een wet, wat er in de wet staat moet. Een norm is meer een beschrijving van wat de wet dan van je verwacht en hoe je hieraan kan voldoen. Een norm ontstaat omdat bepaalde betrokken partijen vinden dat er een norm moet komen. Alle partijen moeten invloed kunnen hebben op de inhoud van de norm. Invloed kan op twee manieren worden uitgeoefend: a. Via een persoon die in de normcommissie zitting heeft b. Door kritiek te uiten op een groentje

Nederlandse Praktijk Richtlijn

O

Een object beveiligen met AM, enige bewakingsvorm waarbij HBM niet noodzakelijk zijn.

Omvang van de bewaking wordt bepaald door de bevoegde autoriteit en is afhankelijk van het doel vd bewaking, de bestemming en hoogte van het gebouw, de aanwezigheid en de validiteit van personen, het brandrisico. Gebruiksdeel bouwbesluit 2012, tabel 6.20

Brandmelding die niet het gevolg is van een brand, of op brand lijkende verschijnselen bv. Stoom/douche/waterkoker, beschadigin, atmosferische storingen, verulde melder, opwervelend stof, lijmwerkzaamheden blz 24 NEN
Vermindering onechte meldingen: 2 groeps-/ 2 melderafhankelijkheid, alarmtussengeheugen, Multi-sensortechniek, vertraagde doormelding, hand- en AM meldingen selectief doormelden, rookverbod, orde en netheid, duidelijke instructie voor de ruimte afgeven blz 24 NEN 2535

 

Het onderhoudsbedrijf dat verantwoordelijk is voor het uitvoeren van onderhoud aan de BMI

Onderhoudsdeskundige is een persoon die beschikt over noodzakelijke productkennis en vakbekwaamheid voor het onderhoud van BMI en die belast is en verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de hem toegewezen onderhoudswerkzaamheden

Brandmelding door de aanwezigheid van op brand lijkende verschijnselen, die niet het gevolg zijn van een brand bv. Roken, bakke/braden, flamberen, uitlaatgassen, laswerkzaamheden, Aerosolen uit processen, kwade wil HBM activeren
Vermindering onechte-/ongewenste meldingen: 2 groeps-/ 2 melderafhankelijkheid, alarmtussengeheugen, Multi-sensortechniek, vertraagde doormelding, hand- en AM meldingen selectief doormelden, rookverbod, orde en netheid, duidelijke instructie voor de ruimte afgeven blz 24 NEN 2535

Type A gesproken woord, toegepast bij > dan 10.000m2 of daar waar extra begeleiding nodig is. Type B geeft een Slow Whoop signaal en verder niets, een type A heeft zijn weerslag op de uitvoering door meer kosten voor producten en montage en een grotere complexiteit.

Bron die voldoende energie ontwikkelt en kan afgeven om het eigen materiaal en/of het omgevingsmateriaal tot ontbranding te brengen

Organisatie (instelling) van waaruit op ieder moment de nodige brandbestrijdings‐ en
beveiligingsmaatregelen in gang kunnen worden gezet (F)

Organisatie (instelling) van waaruit de noodzakelijke corrigerende maatregelen onmiddellijk in gang worden gezet (K) 

Het moment waarop de BMI operationeel is en de gebruiker vruchtgebruik ervan heeft. Zie ook rapport van Opl.

Melder die gevoelig is voor verbrandingsproducten, die de absorptie of reflectie van licht in het infrarode, zichtbare en/of ultraviolette gebied van het elektromagnetische spectrum kunnen beïnvloeden

Orde & netheid, rookverbod, toezicht bij brandgevaarlijke activiteiten, BHVorgani, Ontruimingsplan

Overdruk installatie is een mechanisch rookcontrolesysteem waarin de aanvoer van lucht wordt gebruikt om de lucht in een ruimte (vluchtroute) op een hogere druk te brengen dan die van de aangrenzende ruimten. De rook kan dan niet binnen komen.

P

Brandgrootte, ongewenste meldingen, onechte brandmeldingen, systeembeschikbaarheid. Vooraf gedefinieerd en vastgelegd in PvE

Doel het beproeven van de installatie. Wanneer het geen standaardruimte betreft, de projectering niet volgens de NEN 2535 is, situaties waarin de NEN 2535 niet voorziet, bijzondere detectietechnieken zonder NEN richtlijn (ASD, List), afwijkende melder bij brandgrootte wordt toegepast. Of Eis van bevoegde autoriteit of eisende partij. Proefbranden mogen achterwege blijven wanneer een rapport van het branddetectiebedrijf kan worden overlegd waaruit blijkt dat bij een gelijkwaardige situatie de correcte werking is aangetoond.

Document dat relevante uitgangspunten en beoogde resultaten van de brandmeldinstallatie bevat, zoals uitgewerkt in bijlage A, er moet in: de omvang van de bewaking, de detectie-, alarmering-, stuurzoneindeling, prestatie-eisen, plaats brandweeringang, brandbeveiligingsinstallaties, Uitvoering brandweerpaneel, Categorie doormelding Brand, doormelding Storing, Reset-mogelijkheid, Aanvullende opties

Projecteringsdeskundige heeft als taak het, overeenkomstig de uitgangspunten, ontwerpen en realiseren van een BMI.

 

Melder die reageert op een waargenomen brandverschijnsel in of in de nabijheid van een op een vaste plaats aangebrachte sensor

Brandmelding door de aanwezigheid van op brand lijkende verschijnselen, die niet het gevolg zijn van een brand bv. Roken, bakke/braden, flamberen, uitlaatgassen, laswerkzaamheden, Aerosolen uit processen, kwade wil HBM activeren
Vermindering onechte-/ongewenste meldingen: 2 groeps-/ 2 melderafhankelijkheid, alarmtussengeheugen, Multi-sensortechniek, vertraagde doormelding, hand- en AM meldingen selectief doormelden, rookverbod, orde en netheid, duidelijke instructie voor de ruimte afgeven blz 24 NEN 2535

Type A gesproken woord, toegepast bij > dan 10.000m2 of daar waar extra begeleiding nodig is. Type B geeft een Slow Whoop signaal en verder niets, een type A heeft zijn weerslag op de uitvoering door meer kosten voor producten en montage en een grotere complexiteit.

Bron die voldoende energie ontwikkelt en kan afgeven om het eigen materiaal en/of het omgevingsmateriaal tot ontbranding te brengen

Organisatie (instelling) van waaruit op ieder moment de nodige brandbestrijdings‐ en
beveiligingsmaatregelen in gang kunnen worden gezet (F)

Organisatie (instelling) van waaruit de noodzakelijke corrigerende maatregelen onmiddellijk in gang worden gezet (K) 

Het moment waarop de BMI operationeel is en de gebruiker vruchtgebruik ervan heeft. Zie ook rapport van Opl.

Melder die gevoelig is voor verbrandingsproducten, die de absorptie of reflectie van licht in het infrarode, zichtbare en/of ultraviolette gebied van het elektromagnetische spectrum kunnen beïnvloeden

Orde & netheid, rookverbod, toezicht bij brandgevaarlijke activiteiten, BHVorgani, Ontruimingsplan

Overdruk installatie is een mechanisch rookcontrolesysteem waarin de aanvoer van lucht wordt gebruikt om de lucht in een ruimte (vluchtroute) op een hogere druk te brengen dan die van de aangrenzende ruimten. De rook kan dan niet binnen komen.

R

Document vh Branddetectiebedrijf waarin overzicht wordt gegeven vd installatie en wordt vastgelegd dat de BMI in bedrijf is en voldoet aan het gestelde in het PvE en tevens dat alle toegepaste componenten en onderdelen voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen en compatibiliteit
Rapport van onderhoud, document vh Onderhoudsbedrijf waarin een overzicht wordt gegeven van de installatie en wordt vastgelegd, dat de BMI in bedrijf is en voldoet aan het gestelde in het PvE

In een stad kan de van buiten aangevoerde lucht wel eens zodanig vervuild zijn met uitlaatgassen, dat een hooggevoelige detector dit zal signaleren. Door een hooggevoelige(referentie)melder in het luchtkanaal te plaatsen en te koppelen aan de hooggevoelige melders in de te beveiligen ruimte, wordt een systeem verkregen waarbij de alarmdrempel van de melders in de ruimte wordt verhoogd als de referentiemelder luchtvervuiling meet.

RV, lucht kan een bepaalde hoeveelheid waterdamp bevatten, de max is bereikt bij 100% RV, formule is RV= aantal kg aanwezige waterdamp per m3 (of kg) lucht gedeeld door max aantal kg. Waterdamp per m3 (of kg) lucht.

Kan functiebehoud hebben mits, een storing automatisch wordt geïsoleerd, komende en afgaande aders in gescheiden kabel zijn ondergebracht en niet gezamenlijk door 1 of meer van de overige brandcompartimenten worden aangebracht. Waar dit wel zo is moe min. 1 van de kabels in Functiebehoud worden uitgevoerd.

Risico is het product van kans en effect/schade. Risico bestaat uit 2 factoren; de kans dat een gebeurtenis plaats vindt, de mogelijke gevolgen ervan. Schade kan zijn: a. Immaterieel, zoals indirecte schade of omzetverlies b. Materieel, zoals bijvoorbeeld een defect aan machines. Daarnaast kan schade betrekking hebben op persoonlijk letsel en milieuvervuiling

Rook is een groot risico vanwege verstikking en vertraging van de vlucht, door rook in compartimenten te vangen blijven vluchtwegen beter begaan, loopafstanden spelen hierin een grote rol. Zelfsluitende deuren, RWA inst, te gebruiken materialen.

Rook- en Warmte afvoerinstallatie (RWA) zorgen ervoor dat rook/hete lucht wordt afgevoerd door openingen in het dak, zo blijft er een rookvrije laag op de vloer. 

Melder die gevoelig is voor in de lucht zwevende verbrandings‐ en/of pyrolytische producten (aerosolen). 2 types: ionisatierookmelders en optische rookmelders (verstrooiingsprincipe, verduisteringsprincipe)

Installatie die deuren vasthoud middels kleefmagneten, altijd rookmelders toepassen die voldoen aan NEN-EN-54-7, max. hoogte conform tabel 7, aan beide zijden van de betreffende deur aan het plafond een rookmelder. De installatie sluit deuren zodat rook binnen de rookcompartimenten blijft, het zijn normale rookmelders in een circuit met een voeding en kleefmagneten. Zodra rook wordt gedetecteerd vallen de kleefmagneten af. Bij gedeeltelijke bewaking projecteren tussen 0,5 en 2,5 maar voor de eerstvolgende deur om zo te voorkomen dat de rook een andere ruimte kan vullen voordat hij de melder bereikt. Bij volledige bewaking niet nodig.

AM plaatsen (in aangrenzende ruimten en de vluchtroute zelf) daar waar samenvallende vluchtwegen (doodlopend einden) aanwezig zijn. Loopafstand tot 2 vluchtwegen meer dan 10m, vloeropp. van ruimten en vluchtroute <200m2, aantal ruimten aan de vluchtroute meer dan 2. SlowWhoop projecteren. Hier zijn in principe geen HBM nodig.

(Specifieke ruimte) waarbij alleen in bepaalde ruimte(n) de noodzakelijke AM en/of HBM zijn aangebracht.

Rook Warmte Afvoer installatie dient voor de toevoer van buitenlucht en de afvoer van rook en warmte met als doel beneden in de ruimte vrij van rook en warmte te houden om zo een vluchtweg open te houden. RWA- installatie werd vereist in die gevallen waarbij de vereiste vluchtafstanden (door de rook) zullen worden overschreden

S

Als: loopastand tussen verste verblijfsruimte en punt waar je meerdere kanten op kunt is >10m, of als het totale oppervlak waardoor gevlucht word en de aangewezen verblijfsruimten >200m2, of als het aantal verbijfsruimten dat is aangewezen op deze betreffende ruimte is meer dan 2. Bouwbesluit 2012 art. 6.20 lid 5

Geeft verschillende voordelen, :grotere voordelen met betrekking tot het bewaken van het systeem (onderlinge controle van de verschillende microprocessoren).b. Interne en externe (met melders) communicatie. c. Tijdige onderkenning van ongewenste meldingen. d. Het maakt het brandmeldsysteem veel flexibeler.
Nadelen:Lastiger totaalaanzicht te verkrijgen in de integriteit. Eventuele wijzigingen zijn lastig controleerbaar en/of beheersbaar

Voor het verspreiden van water dmv sprinklers. Ze detecteren en blussen/controleren daarna automatisch de brand. Componenten: watervoorraad, pomp, alarmklep, leidingnet, sprinklers, signalering, systeembewaking en doormelding. Blz 163
Verschillen tussen een natte en een deluge sprinklerinstallatie: -Open sprinklers bij deluge.-Vorstgevaar bij nat systeem omdat de leidingen gevuld zijn met water.-Bij een deluge systeem is een gestuurde klep nodig en een detectiesysteem.

Een aangepaste BMC die SMP wordt genoemd. Hij moet voldoen aan de VAS, hij geeft Brandmeldingen, Technische- storingsmeldingen, Supervisiemeldingen blz. 164 sylabus.

Niet hoger dan 12m voor rook- en 7,5m voor thermische melders, geen belemmeringen voor opstijgen en verspreiden van rook, zoals roosters, lamellen en stellingen, luchtstroom < 1m/s. er hoeft geen proefbrand worden gehouden.

Uitlaatgassen, opwervelend stof, lassen, verbrandingstoestellen die hun product in de ruimte zelf lozen, tocht, mist en condens.

Moeten naar een 24 uurs- bezet ontvangststation voor storingsmeldingen.

Asl hierboven en instalbiel constructies en obstakels tussen zender en ontvanger

Snelle temp.stijging van bv. Ovens, verwarmingstoestellen, zonnestraling op het dak e.d.

Laswerkzaamheden, reflecties van secundaire straling van UV of IR bronnen op draaiende delen

Geografische deel van het gebouw waarvoor 1 of meerdere sturingen gelden. Grootte is afhankelijk vd te sturen zaken en niet afhankelijk van detectie- of alarmeringszone.

3 soorten meest voorkomend; Alfa, Beta en Gamma straling Deze zijn in staat radioactieve straling te ioniseren. De dracht van deze vormen van straling verschillen. Zo is de dracht van alfastraling kleiner dan Beta straling, welke weer kleiner is dan Gamma straling. Bij gamma straling neemt de intensiteit af met het kwadraat van de afstand. Ook hebben de stralingsvormen verschillend ioniserend vermogen (ionisatiedichtheid). Van alfastraling is het ioniserend vermogen veel hoger als van beta en gammastraling.

Oftewel vlammenmelders UV-melders en IR-melders of een combinatie van beide UV melders zijn gevoeliger voor ongewenste meldingen die ontstaan door de omstandigheden in een buitenopslag, zoals zonlicht dat op een plas regenwater weerkaatst. UV-melders zullen minder functioneren door mist en ijsafzetting, daar kijkt een IR melder doorheen zie ook vlammenmelders

BMI moet gedurende een vooraf afgesproken tijd in staat zijn te detecteren uitgedrukt in % van het totaal aantal uren per jaar, tenminste 99,7% (of minder in overleg met bevoegde autoriteit) beïnvloed door: uitschakelen groepen, preventief & correctief onderhoud, Spanningsuitval, defecten en storing onderdelen. Onmacht door stroomstoring, bliksem, waterschade tellen niet

T

Geeft de max oppervlakte temp aan die een explosieveilige constructie gedurende een inwendige calamiteit zal afgeven aan zijn omgeving. Verdeling is als volgt; T1 450, T2 300, T3 200, T4 135, T5 100, T6 85 graden Celcius.

Melder die gevoelig is voor een temperatuursverhoging, toegepast waar rookmelders onechte/ongewenste meldingen geven, zij geven deze nauwelijks, reageert op open branden. Waar? Keukens, werkplaatsen ,wasgelegenheden, productieruimten, Parkeergarages

Melder reageert wanneer een vast ingestelde temperatuur wordt bereikt. 58 graden of hoger is gebruikelijk, toegepast waar een differentiaalmelder niet kan worden toegepast. Te langzame opwarming wordt niet gedetecteerd.

Reageert wanneer een vooraf ingestelde temperatuurstijging binnen een bepaalde tijd wordt overschreden. Diff meld sneller als maximaal melder maar is gevoeliger voor omgevingsinvloeden als bijv. ovens.

Manier van beveiliging die er voor zorgt dat bepaalde bedieningsfuncties en/of signaleringen alleen na een specifieke handeling mogelijk zijn respectievelijk zichtbaar worden. 1 iedereen 2. Geïnformeerde gebruiker tbv basis (groepen in- uitschakelen of in test) o.a. de beheerder 3. Onderhoudsman, heeft opleiding van leverancier genoten. 4. Opgeleid bij de fabrikant en in staat systeemsoftware aan te passen. Blz 130 sylabus

Verbinding tussen onderdelen (de behuizing van onderdelen), die dient voor overdracht van informatie en/of energie. 1 fout in 1 vd transmissiewegen tussen BMC en andere onderdelen van de BMI mag de goede werking van de BMC en iedere andere transmissieweg niet beïnvloeden. Bij een storing mogen binnen een zone niet meer dan 32 brandmelders van 1 soort uitvallen. Hij mag niet meer dan 10 detectiezones omvatten met een max. van 10.000m2 bewaakte oppervlakte. Uitgevoerd conform den NEN 1010 en geschikt voor de branddetectieapparatuur.
Aanleg: Kabels moet zijn aangelegd zodat de kans op beschadiging minimaal is, gelegd in gesloten buis-of kokersysteem of in kabelgoot of ladderbaan. Kabel boven plafond of onder vloer mogen met openbochten van max 50x50mm zijn aangelegd. Kabel door vloeren moet in slagvaste buis die min. 10 cm boven de vloer doorloopt. Kabels in de grond moeten min 0,5m diep gelegd worden, gearmeerd of daarvoor bestemde buizen, kokers, goten of kanalen. Verbindingen in kabel? Zie Lassen
Markering: kabels moeten rood zijn, of minimaal om de 5m rood gemerkt (alle kanten zichtbaar, min 10mm breed) voor de delen die niet beschermt zijn.

Verkeersroute waarin een trap ligt

(Doel) om ongewenste doormeldingen of stuurfuncties te voorkomen worden meldingen pas geactiveerd als 2 afzonderlijke meldergroepen tegelijkertijd in alarm zijn. Werking; Meldergroep 1 in Alarm->sturen/vooralarm-Onderzoek intern gaat Meldergroep 2 in alarm-> Hoofdalarm. Let op! Am -30% bij blusinst. -50%. D waarde veranderd.

Zie hierboven maar dan met melders 1 melder vooralarm – 2 alarm, is er binnen 1 minuut geen 2e melder in alarm wordt melder 1 herstelt. Ook A en D aanpassen als bij twee-groepsafhankelijkheid. Bij onderhoud aandacht voor stuurfunctiematrix.

Verstrooiingsprincipe, de elastische verstrooiing van licht door vaste deeltjes, waar de verstrooiende deeltjes groter zijn dan de golflengte van het betreffende licht. De werking berust dus op de verstrooiing van licht door rookdeeltjes

U

De bovenste explosiegrens waarbij een explosie kan plaats vinden. Bij concentraties hoger dan de UEL is er te weinig zuurstof aanwezig om een zelfstandige vlamvoortplanting te laten plaats vinden.

Melder die reageert op straling met een golflengte van minder dan 300 nm

 

V

Alfanumeriek beeldscherm (geheel of gedeeltelijk) gebruikt voor informatie over een toestand op een bepaald tijdstip

Het aantal keer dat een ruimte per uur wordt ververst, dus het aantal m3 lucht dat per uur wordt ingeblazen, gedeeld door het volume van de ruimte. Bv een ruimte van 100m3 wordt geventileerd met 50m3/u = een ventilatievoud van 0,5

voor een verbranding zijn onderstaande factoren nodig, daartegen kun je maatregelen nemen: Factor Zuurstof Mengverhouding Brandstof Katalysator Temperatuur Blussing Schuimdekking Verstoren Wegnemen Speciale blusstof Afkoelen Voorbeeld Verstikking CO2 in de ruimte blazen Gaskraan dichtdraaien Bluspoeder in vlam spuiten met water blussen

Verbrandingswaarde is de hoeveelheid warmte die vrijkomt bij verbranding van verschillende materialen (MJ/kg). Elk materiaal heeft een andere verbrandingswaarde.

De uitgezonden lichtbundel wordt door zwarte rookdeeltjes verduisterd, zij absorberen licht waardoor er minder licht ontvangen wordt door de fotocel.

Recratierumten, kantines, dagverblijven, showrooms, technische ruimten, ruimte met hoofdschakel- & verdeelinrichting, opslag- archiefruimte, werkplaatsen, hobbyruimten, keukens, stallingruimten, liftschachten met apparatuur, ruimte BMI en/of de voeding.

Route die begint bij een doorgang van een ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de doorgang van een andere ruimte

Ruimte anders dan een ruimte in een verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte, bestemd voor het bereiken van een andere ruimte

De elastische verstrooiing van licht door vaste deeltjes, waar de verstrooiende deeltjes groter zijn dan de golflengte van het betreffende licht. Werking berust op de verstrooiing van licht door rookdeeltjes (Tyndallprincipe)

Deze website maakt gebruik van cookies, zodat wij u de best mogelijke gebruikerservaring kunnen bieden. Cookie-informatie wordt opgeslagen in uw browser en voert functies uit zoals het herkennen van u wanneer u terugkeert naar onze website en helpt ons team om te begrijpen welke delen van de website u het meest interessant en nuttig vindt.